maandag 26 april 2010

De onmisbare vijand


Gisteren vond de eerste wedstrijd van de dubbele bekerfinale plaats. In een waardeloze en van iedere spanning ontdane wedstrijd, logenstraften Ajax en Feyenoord het besluit van de KNVB om de finale in twee wedstrijden te laten spelen. De einduitslag doet er niet toe, want deze finale zal de historie ingaan als de wedstrijd die moest wijken voor geweld.

Ondanks een afspraak tussen de burgemeesters van Amsterdam en Rotterdam om geen uitpubliek toe te laten bij de wedstrijden tussen Ajax en Feyenoord, acteerde burgemeester Aboutaleb enkele weken geleden plotseling de gulle gastheer door te verklaren dat supporters van Ajax welkom waren in de Kuip. Het was een even onbegrijpelijke als prijzige misrekening van de onervaren burgervader in een tijd dat de rivaliteit tussen beide supportersgroepen steeds meer verandert in een alles overwoekerende haat.

Zo is het walgelijk om te constateren dat de hooligans van beide clubs telkens de Tweede Wereldoorlog betrekken bij hun pogingen elkaar te kwetsen. De hooligans uit Amsterdam en omstreken refereren naar het luchtbombardement dat Rotterdam te verduren kreeg en claimen het werk van de Duitsers af te zullen maken. Die van Feyenoord roepen dat de ‘Joden’ uit Amsterdam aan het gas moeten.

Na signalen over mogelijke rellen, besloot de KNVB de finale uit te spreiden over twee wedstrijden waarbij alleen het thuispubliek welkom is. Het is een gedrocht van een compromis dat alleen maar verliezers kent. Veel beter was het geweest om de finale conform de oude afspraken zonder Ajax-publiek in de Kuip te laten plaatsvinden, want een finale hoort in één wedstrijd beslist te worden.

Het ironische van dit alles is dat de hooligans van beide clubs niet inzien dat ze tot elkaar veroordeeld zijn en elkaar in zekere zin zelfs nodig hebben. Want een grote rivaal duwt je naar grote hoogten, inspireert je om het beste uit jezelf te halen en geeft extra glans aan een overwinning. Het is treurig dat hooligans niet in staat zijn de romantiek te zien die schuilt in hun rivaliteit. Kennelijk ontstijgt dat hun beperkte bevattingsvermogen.

De veelbesproken Voetbalwet kan een middel tegen de hooligans zijn. De wet is door de Tweede Kamer en ligt nu al een jaar bij de Eerste Kamer. Met de Voetbalwet in de hand was het wellicht mogelijk geweest een normale bekerfinale te organiseren. De hooligans hadden zich dan op de wedstrijddag op het politiebureau moeten melden en daarnaast hadden eventuele voorbereidingshandelingen op rellen aangepakt kunnen worden.

Maar hoewel de nieuwe wet een stap in de goede richting is, valt het te betwijfelen of hij een einde zal maken aan alle problemen met hooligans. Engeland heeft al jaren een Voetbalwet waarmee met groot succes het hooliganisme wordt bestreden. Uit recent onderzoek van de hoogleraren Recht prof. mr. dr. J.G. Brouwer en prof. mr. A.E.Schilder blijkt dat het Nederlandse ontwerp in geen enkel opzicht op de Engelse variant lijkt.

Het grootste verschil tussen beide wetten is dat in Engeland door de strafrechter een stadionverbod wordt opgelegd dat in heel Engeland én in het buitenland geldt. In Nederland zal de burgemeester een stadionverbod opleggen dat uitsluitend geldt voor wedstrijden in zijn gemeente. Dat betekent dat een hooligan met een stadionverbod in Amsterdam zich kan misdragen in de stadions van pakweg FC Utrecht en Club Brugge. Het is een gemiste kans dat niet veel meer aansluiting is gezocht bij de succesvolle Engelse Voetbalwet.

Veel zal in Nederland afhangen van de consequente en stringente handhaving van de Voetbalwet, hetgeen de nodige mankracht zal kosten bij de politie. Verder is het de vraag wat het effect zal zijn op de hardcore-hooligans. Belangrijk is om ook verantwoordelijkheid bij de clubs te leggen. Zo dienen zij bijvoorbeeld de banden met hun hooligans definitief door te snijden, zoals FC Barcelona dat zo voorspoedig deed.

Onderdeel van die verantwoordelijkheid is ook dat Ajax voor eens en voor altijd duidelijk dient te stellen dat het geen Joodse club is. Israëlische vlaggen zullen uit het stadion geweerd moeten worden en supporters die ‘Joden, Joden’ scanderen aangepakt. Het zal een zware operatie worden die op den duur beloond zal worden met het verdwijnen van de antisemitische leuzen in de stadions waar Ajax te gast is.

Het lijkt misschien een naïeve gedachte, maar hopelijk zullen alle inspanningen er ooit toe leiden dat supporters van Feyenoord een virtuoze actie van een Ajax-speler in de Kuip met applaus zullen ontvangen, zoals de supporters van Real Madrid dat onlangs deden toen het door hen gehate Barcelona excelleerde in Madrid en het wonderkind Lionel Messi over het heilige gras van Bernabéu dartelde.

maandag 12 april 2010

In de mist van Golden Gate Park


Het is nu bijna negen jaar geleden dat ik in een café in Berkeley, Californië, de naam van een Nederlandse voetballer op een bierviltje schreef voor mijn Italiaanse vriend Fabrizio. Als je met Italianen over voetbal praat, gaat het al snel over lang vervlogen tijden. Namen als Van Basten en Rijkaard worden dan met gepaste weemoed uitgesproken. Maar ik wilde nu eens niet terugduiken in de nostalgie, maar mijn Italiaanse vriend wijzen op een gouden talent uit Nederland. Een jongen van achttien nog maar die al in zijn tweede seizoen bij Ajax met de almachtige Cruijff werd vergeleken.

Ik studeerde in die tijd een semester aan San Francisco State University en deelde een huis met een paar Amerikanen en de Amsterdammer Arnold, die aan dezelfde universiteit studeerde en met wie ik goed bevriend zou raken. Fabrizio, een zachtaardige jongen uit Genua, woonde tijdelijk in San Francisco en werkte lange dagen in een Italiaans kruidenierszaakje in de befaamde homowijk Castro. Zijn goede vriend Canna was hem komen opzoeken om samen in een huurauto door Amerika te reizen.

Het waren de laatste dagen die we met Fabrizio zouden doorbrengen. Daar, in dat café in Berkeley, haalden we herinneringen op aan onze gezamenlijke tijd in San Francisco en keken we met een glimlach terug op onze gedenkwaardige voetbalwedstrijd in het immense Golden Gate Park.

Het was op een frisse oktobermiddag dat Arnold en ik het opnamen tegen Fabrizio en Canna. De eerste ploeg die tien goals maakte, mocht zich winnaar noemen. Nederland: Italië in San Francisco, een herhaling van die vermaledijde halve finale op het EK in 2000. Ook onze wedstrijd werd een heroïsche. Hij werd pas beslist toen de zon achter de heuvels verdween en een ijzige wind een dikke mist het park injoeg. Het serene Golden Gate Park veranderde op slag in een sinistere plek waar de verslaafden van de stad strompelend hun toevlucht zochten. Amsterdamse kreten en Italiaanse vloeken galmden door het in nevel gehulde park en de bal veranderde in een wazige beige vlek die zo nu en dan in het niets opging.

Bij een bloedstollende stand van 9-9 sloeg het noodlot toe. De Italianen begonnen aan een onvermijdelijke counter. In een ultieme poging de tegenaanval te verijdelen, zette ik tevergeefs een tackle in die ik jaren later nog voelde aan mijn lies. Terwijl ik uitgeput op mijn rug lag, hoorde ik mediterrane kreten vol blijdschap uit de duisternis weerklinken.

Fabrizio nam kalm een slok van zijn bier en pakte toen het Budweiser-bierviltje op. Hij probeerde de naam die erop stond uit te spreken. ‘Ban der Baart?’
‘Van der Vaart,’ corrigeerde ik hem waarna ik hem wees op de indrukwekkende cijfers van het grootste Ajax-talent sinds Dennis Bergkamp. ‘Onthoud zijn naam, dat wordt een grote,’ zei ik trots.

Tijdens mijn verblijf in San Francisco kreeg ik tot mijn spijt weinig mee van de glorie van Van der Vaart. Youtube bestond toen nog niet. Mijn maandagochtend begon ik steevast in het mediacentrum van de universiteit waar ik in alle vroegte gespannen de website van Ajax raadpleegde om er pas zesentwintig uur na een competitiewedstrijd de uitslag te vernemen. Het seizoen 2001/2002 werd uiteindelijk een magische. Van der Vaart werd clubtopscorer met 14 goals en Ajax veroverde dat jaar voor het laatst de dubbel.

Toen we het café verlieten, zag ik vanuit de deuropening dat Fabrizio het bierviltje op tafel had laten liggen. Ik liep terug en stopte hem onopvallend in mijn schoudertas. Later, bij ons afscheid, gaf ik hem het bierviltje weer na een hartelijke omhelzing en herhaalde mijn woorden over Van der Vaart.

Nu ik vele jaren later terugblik op die schitterende tijd in San Francisco, word ik overvallen door een levendig visioen. Het is 11 juli 2010, Nederland: Italië, de finale van het WK. De stand is 2-2. De mist die in het First National Bank Stadium in Johannesburg hangt, doet het oranje op de tribunes vervagen. Italië krijgt een corner in de 92ste minuut. Pirlo geeft de bal voor, Heitinga kopt hem hard weg in de voeten van Robben die meteen aan een furieuze counter begint. Op volle snelheid gaat hij alleen op Buffon af terwijl de vuvuzela’s steeds luider door het stadion zoemen. Robben schiet, Buffon redt. De bal dwarrelt traag richting de achterlijn.

Plotseling doemt een speler op uit de mist. Het is Van der Vaart! Hij schiet de bal hard op het lege doel, het Oranjelegioen brult, maar de opgekrabbelde Buffon krijgt met een magistrale duik een hand tegen de bal die langzaam richting de paal rolt. Via de binnenkant van de paal kruipt de bal over de doellijn om er even later tot stilstand te komen. Een moment lijkt de tijd stil te staan, een zeearend zweeft traag over het First National Bank Stadium. Van der Vaart en Buffon staan als bronzen beelden uit het oude koninkrijk Benin versteend op het veld. Niemand durft adem te halen op de tribunes. Dan steekt er een koele winterbries op die de mist van het veld blaast en de bal over de doellijn duwt. Trommelvliezen knappen als een orkaan van geluid losbarst en de vuvuzela’s harder klinken dan ooit.

Zou Fabrizio het bierviltje nog hebben?